Start

De Werkgroep

Historisch spreekuur

Foto van de maand

Nieuws

Winkel

Jaarverslagen

Aanwinsten

Vraag&antwoord

Links

Sponsors

Jaarverslag 1988

EENDENKOOIEN door Jan de Brabander


Op de kaart van Delfland, in kaart gebracht door Nicolaas en Jacob Kruikius, uitgegeven in 1712, staan 17 vogelkooien (eendenkooien) getekend.In Wateringen waren twee eendenkooien: een in de Oud- en een in de Nieuw Wateringveldpolder.

 Onder Lodewijk Napoleon kwam in 1807 een jachtwet tot stand die o.a. het recht van eendenkooi regelde. Bestaande eendenkooien konden behouden worden, onder voorwaarde van registratie. Indien men de registratie achterwege liet verviel het recht om een eendenkooi te mogen houden. Tussen 1807 en 1813 werden in totaal 363 eendenkooien geregistreerd in Nederland. In 1807 staat Cornelis Hoek geregistreerd als eigenaar van de eendenkooi in de Oud Wateringveldpolder.

Het jagen door middel van een vogelkooi, de vroeger gebruikelijke term, was oorspronkelijk voorbehouden aan degene die het recht van vogelarij had. Dat is het recht om vogels met behulp van vogels (veer met veer) te vangen.

Kooirecht
Het kooirecht is het zakelijk recht om op een gepaald stuk grond (en water) vogels, in het bijzonder eenden, te vangen met behulp van een daartoe geschikte vanginstallatie.

Afpalingsrecht
Bij de uitoefening van het kooibedrijf zijn rust en stilte in de omgeving van de eendenkooi vereiste voorwaarden. De kooiker let er dan ook op dat die rust en stilte in de kooi en in de omgeving in acht wordt genomen. Vele kooikers kunnen daarbij zonodig gebruik maken van de afpalingscirkel. Dit is een op basis van het afpalingsrecht in het veld afgepaalde cirkel waarbinnen niet mag worden gejaagd met het geweer en waarin vanouds het kooibedrijf niet mag worden gestoord. Op die palen staat aangegeven wie de eigenaar van de kooi is en het aantal meters hetwelk het recht tot afpaling bedraagt. Het gebied is in Zuid-Holland meestal een cirkel met een afstand van 1130 of 753 meter. Deze afstand is bepaald door in het verleden gebruikte "Rijnlandse Roede".
Dat is 3,765 meter; de oude afstanden waren respectievelijk 300 en 200 Rijnlandse Roeden.

De eendenkooi
Het merendeel van de Zuid-Hollandse kooien is gegraven en heeft het karakteristieke "rogge-ei-model", waarbij in vier veel voorkomende indrichtingen een vangpijp is aangelegd.

Deze pijpen of kelen, halve-maanvormige sloten, zijn bij de uitmonding aan de plas plus minus vijf meter breed en worden geleidelijk smaller totdat zij aan het einde niet veel breder zijn dan een meter. Daarna moeten de eenden tegen een licht glooiende kant op lopen om zo in de uiteindelijke fuik terecht te komen die van enige afstand met een touw waaraan men trek, door middel van een klep of valluik wordt afgesloten.
Het kooibedrijf is gemiddeld 2 ha. groot, waarvan de kooiplas 0,75 ha. beslaat. Om de kooiplas heen staan ca. 2 meter hoge rietschermen, evenals langs de binnenzijde van de vangpijp. Deze zijn afgedekt met netten of gaas. In de buitenbocht staan losse schuinsgeplaatste rietschermen. De kooiker kan hierdoor de eenden op de plas zien zonder dat de eenden hem zien, horen of zelfs maar ruiken.
Vroeger had hij vaak een smeulende turf bij zich en zijn "kooijas" aan om de mensengeur te verdrijven. De kooiker kiest een vangpijp waardoorheen de wind in de richting van de plas waait.
Eenden vliegen altijd tegen wind in op, zodat ze bij het op de wieken gaan dieper de pijp in vliegen. Nu kan hij, eventueel met behulp van zijn kooihondje, beginnen met het kooien (lokken). Hij doet dit met een vliegstal. Dit zijn enkele honderden, soms duizenden, afgekooide eenden (de "wilde stal"). Deze kennen de "truc" van de vangpijp en zullen zich niet laten vangen. Doordat op de kooi echter absolute rust heerst zullen zij overdag op de kooiplas wat rondzwemmen en 's avonds uitvliegen om te foerageren. Bij terugkeer nemen ze dan de echte wilde eenden mee. Daarnaast heeft de kooiker zijn eigen lokstal van enkele honderden tamme eenden (de "tamme stal"). Dit zijn meestal grauwe kwakertjes, eendjes, die belangrijk kleiner zijn dan de gewone wilde eend en een veel kortere snavel hebben. Deze kwakertjes, hun naam zegt het al, kwaken aanmerkelijk meer dan de gewone wilde eend. Normaal zullen de kwakers omdat zij temidden van veel wilde eenden op de kooiplas huizen niet zo erg veel roepen, maar als de kooiker gaat vangen zullen zij zich luid laten horen en de wilde eenden op de plas uit hun dommel doen ontwaken. De tamme eenden weten wat er staat te gebeuren en komen op het teken van de kooiker af. Hij doet dit met behulp van een fluitje of de kooihond. Deze laat hij om de schermen heen rondlopen terwijl hij tegelijkertijd wat voer in de vangpijp gooit. De eenden zwemmen hier op af en de wilde eenden, onrustig en nieuwsgierig zwemmen mee de vangpijp in.

Zijn ze eenmaal ver genoeg in de pijp gekomen dan laat de kooiker zich plotseling voor de schermen zien. De vreemde eenden krijgen de schrik van hun leven en vliegen dan het laatste stuk van de vangpijp, de fuik, in en komen terecht in het vanghokje. Hier worden de eenden dan uitgehaald om te worden geringd of pijnloos gedood door de zogenaamde "kooikersgreep".