Start

De Werkgroep

Historisch spreekuur

Foto van de maand

Nieuws

Winkel

Jaarverslagen

Aanwinsten

Vraag&antwoord

Links

Sponsors

Jaarverslag 1992

GANTEL en VLIET twee tegenstromen.

Over deze Waternamen is veel gediscussieerd, voor sommigen gewoon een naam, maar voor bodemkundigen en historici een buitengewoon boeiend studieobject. Laat ons eerst beginnen met de verklaring van de waternaam Gantel.

GANTEL = GANGA (oud Fries) 10e eeuw.
GANKCHALA (oud Fries) waarsch. 9e eeuw.
GANC (oud Fries) mogelijk 9e eeuw = watergang- loopgeul- weg.
De Gantel komt voor als een restant van een voormalige vloedkreek in het Westland en op de ZH-eilanden.
Volgens anderen ook GEIN, GENE, GENNE, KEENE. Nog een Gantel is de benedenloop van het riviertje de ALM bij Almkerk deze loost op de Bleke Kil in de Biesbos.

Voordat de mens het landschap kon beheersen d.m.v. dijken en afwateringskanalen, was dit voortdurend onderhevig aan veranderingen. Onder invloed van wind en water ontstonden, ingesloten door opgestoven duin of strandwal, lagunes of haffen.
In dit brakwatermilieu ontwikkelde zich een veenlandschap dat zich tenslotte verhief boven de zeespiegel. Op andere plaatsen brak de zee tijdens stormvloeden diep landinwaarts. De kracht van het water sloeg diepe geulen in het veen. Zo ontstonden vloedkreken met ryten en prielen die voortdurend onderhevig waren aan eb en vloed.
Door deze waterbewegingen kwam sedimentatie (zand en kleiafzetting) op gang. Met het keren van het tij bezonk het materiaal en zette zich af langs de oevers, alles gesorteerd op grootte en gewicht. Deze oeverwallen slibden meer en meer aan, tot ze onbereikbaar werden voor de zee en tenslotte geheel verlandden.

Ze liggen nog zichtbaar als grote slangen in het landschap: de z.g. kreekruggen. Het waterloopje de GANTEL is een restant van zo'n vloedkreek die vanaf de Maasmond via Wateringen tot achter Pijnacker reikte. 2500 jaar terug heeft deze zich een weg gebaand en is ingeschuurd tegen de noordelijk gelegen primaire schoorwal.
Zij heeft een groot aandeel gehad in de landschapsvorming. De laatste klei is afgezet tussen ca. 800 en 1100 n.Chr. (Duinkerke IIIa periode) door voortdurende stormvloeden. Toen werd, mede door het Gantelsysteem, het westlanddek gevormd. Op haar oevers vinden we menselijke bewoningssporen vanaf de late ijzertijd (Ī 50 v.Chr.) soms ononderbroken tot in de 2e eeuw n. Chr., de Romeinse periode.
Tijdens de landontginningen werd het Gantelstelsel bedijkt. De noordelijke langsbedijking was de Poeldijk(seweg), via de tuin van v.d. Voort aansluitend op het Groene Pad en de Korte Noordweg. Na een dijkdoorbraak, waarschijnlijk in de laatste helft van de 12e eeuw, is de Poeldijk om een wiel (doorbraakgat) heen gelegd (inlagedijk), ter hoogte van de Haasjesheul tot aan het dwarsgedeelte van de Korte Noordweg. Daar sloot de dijk weer aan op de Mient en Rhyenhovense kade waarvan laatstgenoemde met zijn typisch inspringende kavels al eeuwen de begrenzing vormt tussen Wateringen en Den Haag. Maar deze kaden zijn van latere datum. Deze keerden het water van de Uithof- en de Escampspolders onder het toenmalige Haagambacht. Het oostelijke deel tot Rijswijk langs de Noord- of Zandtweg bestond uit restanten van de primaire schoorwal die ligt op de lijn Voorschoten- Rijswijk- Wateringen. De zuidelijke bedijking liep van Naaldwijk via de Dijkweg naar Honselersdijk, dan via Dijkstraat, Endeldijk, Mariendijk en waarschijnlijk het oude Slimpad naar Kwintsheul om dan verder te gaan over de Heulweg naar Wateringen.

In de Romeinse tijd zal de Middelbroekweg een belangrijke rol gespeeld hebben als zuidelijke begrenzing van de Gantel, getuige de talrijke bodemvondsten langs deze weg.
De eerste dwarsbedijking was te vinden onder Wateringen tussen de Korte Noordweg en de Raaphorstbrug: de Oude Hooge dijk, zo genoemd op de kaart van Kruikius uit 1712. Secundair is vermoedelijk de Zwartendijk aangelegd als dwarsdijk. Over uitgiftedata of vergunning tot aanleg van deze bedijkingen is, tot op heden, in de archieven nog niets gevonden. Aan de hand van bodemontginning- en verkavelingsstudies vermoeden wij, dat na de stormvloeden van de 12e eeuw de ontginningen zijn aangevangen. Met de komst van het geslacht Van de Wateringhe (2e helft 13e eeuw) zullen de Wateringse ontginningen zijn begonnen.

De waternaam VLIET is een veel voorkomende naam en al in gebruik vanaf de grijze oudheid.

De ethymologische oorsprong van de waternaam VLIET(en) geeft o.a. de volgende verbanden: Vliet(en), Middelnederlands = snel, vloeien, drijven, varen.
Fliet(h)an, oud Nederfrankisch (10e eeuw).
Flio(tan) oud Saksisch,
Flia(ta) oud Fries.
Fleo(tan) Angelsaksisch = stroom(en)- vloei ( en)- wassen.
Fleam, oud Engels = vlucht(en).
Luit, oud Iers = hij ging of gaat voorbij.
Pleo, Grieks - varen -drijven.
Vloot, Vlot(ten) = het drijven, in dialect: ondiepe bak.
Fluo, Latijn = stromend water, drijven, vloeien.

De (Leidse) Vliet begint oorspronkelijk nabij de Oude Rijn bij Leiden en heeft zijn loop via Voorschoten- Leidschendam- Voorburg naar Rijswijk aan de zuidrand van de primaire strandwal. In de Middeleeuwen zette deze zich voort in de richting Wateringen- Westerlee als natuurlijke afwatering, vermoedelijk langs het huidige traject: Oosteinde- Herenstraat- Heulweg- Kerkstraat- Middelbroekweg- Vlietweg tot in de LeeMaasmond.
De Vliet wordt al genoemd aan het begin van de jaartelling als "Fossa Corbulonis" i.v.m. de legerplaats "Forum Hadriani", gelegen onder Voorburg.
A.A.Beekman beschrijft dit traject als "Gracht van Corbulo", genoemd naar een Romeins generaal van de keizers Claudius en Nero (zie literatuurlijst). In oorsprong diende de Vliet als waterafvoer van de hoger gelegen veen-wildernis in het achterland. Zij ontstond tussen Voorschoten en Rijswijk op de scheiding van de primaire strandwal en het veengebied.
Tijdens de landontginning heeft de Vliet zijn functie nog kort behouden als primaire afwatering. Na 1200 slibt de Leemond langzaam dicht op de plaats waar de Vliet uitstroomde. Afwatering van het achterland moet elders worden gezocht. Dan gaan respectievelijk de Reynerwetering- Lange Watering en de Strijp als ontginningbasis en boezem afwateren via de Zwet naar de Vlaardingse sluizen. In de lste helft van de 14de eeuw komen de Maaslander sluizen tot stand in de Maasdijk bij Maassluis. Het Ambacht Wateringen gaat dan afwateren via de Monsterwatering, de Zijde, de Breevaart of Lichtvoetswatering en de Middelvliet naar Maassluis.

December 1992, Corn.J. van der Doef.


BIBLIOGRAFIE en CARTULARIA

Beekman. A.A., Dijk en Waterschapsrecht in Ned. voor 1795, 1907.
Beekman. A.A., Fossa Corbulonis. Tijdschrift v.h. Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap. Jrg. 1916.
Beekman. A.A., Masemude. Tijdschrift v.h. Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, Jrg. 1919.
Bergh. L.Ph.C., Handboek der Middelnederlandse Geografie. Bewerkt door A.A Beekman   1978.
Bloemers. J.H.F., Rijswijk (Z.H.) "De Bult" een nederzetting van de Cananefaten. 1979, Unieboek b.v. Bussum.
Directie BLB BAELL. Plaats en Waternamen, hun betekenis voor de bestudering van de geschiedenis van het landschap. nr.22, Min.v.LMV. aug.1991.
Edelman.Ir.T., Historische geografie van de Nederlandse kuststreek.
Publikatie van de directie waterhuishouding en waterbeweging. 's Gravenhage maart 1974.
Gossen. I.H., Vorming van het Graafschap Holland. Mart. Nijhoff 1915.
Gottschalk. M.K.E. Stormvloeden en rivieroverstroningen in Nederland. Assen 1971.
Kruisheer, J.G., oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299. Deel I en II. 1986.
Kunzel. R.E., Blok. D.P., Verhoeff. J.M., Lexicon Nederlandse toponiemen tot 1200. 1988.
Liere.W.J.van., De bodemgesteldheid van het Westland. 1948.
Linden. H.v.d., "DE COPE", bijdrage tot de rechtsgeschiedenis van de openlegging der Hollands- Utrechtse laagvlakte. Heruitgave 1981.
Niermeijer. J.F., Delft en Delfland. 1944.
Postma. C., Hoogheemraadschap Delfland in de middeleeuwen.
Postma. C., Kaart van Delfland 1712. Canaletto 1977.
Schonfeld. H., Veldnamen in Nederland. 1949. 
Spectrum. Het., Lexicon Dorpen en Steden Benelux. Het Spectrum 1984, Amsterdam - Leuven.
Verdam. J., Middelnederlandsch handwoordenboek. oplage 1979.
Vierlingh. Andries, Tractaet van dijckagie 1576 - 1579.
Rijks geschiedkundige publicatiŽn kleine serie nr. 20. Uitgegeven door de Ned. vereniging Kust- en oeverwerken 1973.
Vischer. H.A., Lexicon voor Fysische geografie. Het Spectrum 1972.
Vries. J. de., Etymologisch woordenboek. 1958 1979.
Wijk van Haeringen. Franck van, Etymologie's woordenboek der Nederlandsche taal. 1912. 2e druk, Mart. Nijhoff Leiden 1980 - 1984.
Winsemius. J.P., De historische ontwikkeling van het waterstaatsrecht in Friesland. 1947.

GERAADPLEEGD KARTOGRAFISCH MATERIAAL:

Gemeenteatlas van Z-H. van J. Kuyper. 1869.
Geologische kaart van Nederland. Krt.blad Rotterdam west 37 W.
Kaart van Delfland 1606. Door Mathijs de Been Weena.
Kaart van Delfland 1611. Door Floris Balthasar van Berckenrode.
Kaart van Delfland ao 1712. Door Nic. Kruikius, 25 krt.bladen, 2 verzamelbladen.
Kaartboek Meisjeshuis binnen Delft.
Kaarten van de kloosters Rijnsburg- ter Lee- en Loosduinen.
Kaarten uit het archief van Vredenburch.
Luchtfoto's uit 1950 van de Topografische dienst te Delft.
Militaire stafkaart van 1850,
Rijksgeologische dienst 1979.
Topografische kaarten v.a. 1865. Krt.bl. 37 A - B - C - E - G en 30 D - G.