Start

De Werkgroep

Historisch spreekuur

Foto van de maand

Nieuws

Winkel

Jaarverslagen

Aanwinsten

Vraag&antwoord

Links

Sponsors

Jaarverslag 1994

RAZZIA 20 DECEMBER 1944

Op 10 november 1944 zetten de Duitsers met de wegvoering van de mannen tussen 17 en 40 jaar te Rotterdam, de grote razzia's op deze bevolkingsgroep in het nog niet bevrijde deel van ons land in. Doel van de bezetter was wegvoering van de weerbare mannen en het verkrijgen van dwangarbeiders om hun wankelende oorlogsvoering in stand te helpen houden. In totaal hebben de Duitsers in deze tijd 120.000 mannen opgepakt.

Op woensdag 20 december 1944 had hier in Wateringen en Kwintsheul deze jacht op mannen van 17 tot 40 jaar plaats. In de Andreaskerk in Kwintsheul waarschuwde een kapelaan voor de razzia. Soldaten van de Wehrmacht die aan de Lange Wateringkade gelegerd waren, hadden hem getipt. Voor velen kwam de boodschap echter te laat, daar zij, op weg naar de mis, bij de ausweiscontrole op de Heulbrug al werden opgepakt en in het huis van Faas van Etten, het "Lagie van Faas" dat voor wachthuis was gevorderd, opgesloten. Anderen werden in de loop van de morgen door militairen van de zogenaamde Hermann Göringtroepen opgepakt en naar de Heulse veiling afgevoerd. De een werd gepakt terwijl hij in de tuin bezig was of op weg naar zijn werk, een ander toen hij net voor zijn moeder houtjes aan het hakken was achter op de plaats. 's Middags vertrok men vanuit de Heulse-veiling.

Aan de deur stond meester Langejan van de Pieter van der Plasschool, die betrokken was bij de dijkaanleg in het inundatiegebied aan de Bovendijk, gesneden brood uit te delen. Via de Mariëndijk, Nieuweweg en langs de Rolpaal naar Poeldijk. Hier was een sanitaire stop. Van Poeldijk liep men in een ruk door naar Hoek van Holland. Hier liep men verkeerd daar de kolonneleiding niet precies de plaats wist om hun buit af te leveren. In het donker moesten de mensen in het ruim van een rijnaak plaats nemen. Twee ruimen waren in gebruik: een met honderd man en een met vijftien. Het plan was direct naar Rotterdam te vertrekken, maar door de mist was het onmogelijk te varen, zodat pas de volgende morgen kon worden vertrokken naar Rotterdam. De ruimen waren smerig. Voordat het schip deze lading kreeg was er olie, grind en stro in vervoerd en de resten waren nog duidelijk aanwezig.

Velen, niet gewend aan wandelingen van deze lengte en het slechte schoeisel, men liep met recht op een klomp en een schoen, hadden last van blaren vaak tot bloedens toe. In Rotterdam aangekomen werden de mensen overgeladen in een ander schip voor verder transport. Nadat men wat te eten had gekregen werden de luiken weer gesloten. Een luik klapte naar 'beneden en kwam op de voet van een van de mannen terecht. Deze man, een "Poelleker", werd met een afgeknelde teen afgevoerd. Van Rotterdam vertrok men naar Amsterdam, waar men de volgende dag aankwam en in een bananenloods werd ondergebracht. In deze loods werden de Westlanders met Flakkeeërs, mensen uit Overflakkee, samengevoegd. Deze mannen hadden zich zelf gemeld, onder bedreiging dat er gijzelaars zouden worden geëxecuteerd wanneer niet alle mannen tussen 17 en 40 jaar zich voor de arbeid in Duitsland zouden melden. Het voordeel voor deze mensen was dat zij een dag de tijd hadden gehad om hun zaakjes op orde te brengen zoals kleding en proviand. Een enkele Wateringer had wat tabak (eigen teelt) bij zich maar weinig eten zodat er wat geruild kon worden.

In de bananenloods bleef men een dag en een nacht. De katholieke mannen kregen hier de communie uitgereikt. Op de 23e om 6 uur ging men aan boord van een binnenschip het IJsselmeer over naar Kampen. Dit schip was overvol. Enige malen werd de motor stilgezet bij het naderen van geallieerde vliegtuigen en wachtte men in spanning af wat er zou gebeuren. In Kampen hoopten velen dat zij door de ondergrondse zouden worden bevrijd. Het Rode Kruis deelde het onder de bevolking ingezamelde eten uit. Iedereen was er van overtuigd dat Kerstmis daar in Kampen gevierd zou worden. Allemaal hadden ze hun slaapplaats zo goed mogelijk ingericht, maar laat in de avond, kerstavond dus, werd men weer opgejaagd naar het station om verder getransporteerd te worden. Daar in Kampen zong men op het station het Wilhelmus en Stille Nacht. Samengepropt in een onverwarmde trein reden ze door een donkere nacht naar Duitsland.

Eerste Kerstdag 's avonds arriveerden zij in Spellen, een dorp even voorbij Wesel en werden in een kamp ondergebracht waar men tot januari bleef. Russische vrouwen uit het naastgelegen kamp verzorgden de voeding. Op een handkar werd het eten aangevoerd en door deze vrouwen uitgedeeld. Deze vertikten het om de soep om te roeren voor ze werd opgeschept zodat de mannen slechts het nat kregen. Zij namen de rest, die koolbladeren en -stronken bevatte, voor zichzelf mee terug. De Wateringers en Heulenaars werden op 8 januari weer op transport gesteld dieper Duitsland in. Hun einddoel lag in Bochum vlak bij Essen. Ook Essen en Duisburg waren eindbestemmingen. De groep echter die in Bochum terecht kwam, samen met de mensen uit Flakkee, werd in de Aloysiusschool ondergebracht. Toen men laat in de avond in Bochum arriveerde leek het een dode stad: skeletten van huizen en geen mens op straat. Bochum was als industriestad in het Ruhrgebied sinds 1942 regelmatig gebombardeerd. In oktober 1944 was het laatste flinke bombardement geweest en had ruim 2000 doden geëist. In het donker bij twintig graden onder nul was men opzoek naar de school waar men ondergebracht zou worden. Geheel gedeprimeerd arriveerde men dan eindelijk op de plaats van bestemming.

Tot de bevrijding zou dit hun "thuis" zijn, samen met vervuilde latrines en luizen. Men kwam in dienst van de Eisenbahn (spoorwegen) en werden uitgeleend aan de Strassenbahn (tram), dat scheelde een pond brood in de week. Zes ponden was het rantsoen. Overdag werkte men zo weinig en zo traag mogelijk hoewel dat uiteraard niet de bedoeling was. Leunen en drukken was een geliefkoosde bezigheid. Alleen wanneer de "Kattekop" in de buurt was werd er doorgewerkt. Er waren drie opzichters. Twee waren redelijke kerels van wie men niet al te veel last had, maar de derde, de Kattekop, was een akelige vent. Doordat men zich overdag erg spaarde had men 's avonds nog fut om wat erbij te snabbelen. Voor een paar sneetjes brood, een bord soep of een prak eten verrichtte men karweitjes voor de burgerij zoals houtjes hakken en kolen scheppen. De mensen kregen daar de kolen los gestort voor het huis. Men moest zelf maar zien hoe het binnen kwam. Zelfs huishoudelijke karweitjes, zoals het wrijven van zeil werden gedaan.

Er was ook veelvuldig luchtalarm. Overdag tijdens het werk nam men alle tijd om een schuilplaats te zoeken. Anders was dat wanneer men in de school was. Direct naast de school was een schuilkelder. Deze was echter "Für Auslander verboten". De dichtstbij gelegen schuilplaats waar buitenlanders gebruik van mochten maken was anderhalve kilometer verder. Het gevolg was dat de meeste mensen maar gewoon op hun bed bleven liggen. Katholieken baden een "Weesgegroetje" en hoopten er maar het beste van.

Op 10 april 1945 werd men bevrijd door de Canadezen. Weken lang had men het front horen naderen. Er werd nog een groep gevormd om verder afgevoerd te worden, dieper Duitsland (de Taunus) in. Maar de tang van de oprukkende legers werd gesloten zodat dit verder trekken zinloos was en men de groep maar weer naar de school liet terugkeren. Na 20 april kon men aan terugkeren naar huis gaan denken, althans naar Nederland. Men is niet als een gesloten groep teruggegaan maar in groepjes. De meesten bereikten via luik en Leuven lopend en liftend Nederland en bleven in Limburg of Brabant de gelegenheid afwachten om naar huis te gaan.

Een van deze mensen is kapelaan Dancaart nog steeds intens dankbaar. Als jongen van amper 19 jaar stond hij in de Heulse veiling waar de slachtoffers van de razzia werden bijeen gedreven zonder een hap eten en zonder enige bagage, weggehaald van de plaats achter zijn huis waar hij aan het hout hakken was. Een soldaat van de Hermann Göringtroepen dook ineens op met een "Mitkommen", hij mocht een deken, wat kleding, een dag eten en bestek mee nemen. Maar zijn moeder reageerde furieus: 'Wat vullus, jullie nemen dat kind toch mee, geef hem dan ook maar te vreten" en liet hem zonder bagage en eten gaan. Kapelaan Dancaart was ook opgepakt, maar hoefde uiteindelijk niet mee. Toen de mannen op punt stonden te vertrekken naar hun onbekende toekomst drukte kapelaan Dancaart deze jongen die niets bij zich had een witbrood in zijn handen.

Over het leven in de school is nog wel het een en ander verder te vertellen. Een van de mannen, toen een jongen van 19 jaar, werkte onder toezicht van de "Kattekop" aan de Strassenbahn, de tram, toen er een luchtaanval kwam. Samen met de Kattekop sprong hij in een bomtrechter om dekking te zoeken, maar de Kattekop was zo bang dat hij deze jongen letterlijk uit die kuil schopte en zelf bijna onder de modder op de bodem kroop. Een ander werd een specialist in het bietsen. Deze wist binnen de kortst mogelijke tijd een voorraadje eten aan te leggen. Wanneer niemand iets los kon krijgen, wist hij nog wel wat te versieren. Met veel moeite kon men zich van klompen voorzien, maar deze man kwam eens met een zak vol terug. Een ander werd zwaar ziek (paratyfus) als gevolg van de onhygiënische toestanden en dacht zelf nooit meer thuis te komen. Toen hij wat opgeknapt was en in Bochum in de tram zat vroeg een kind aan haar moeder "Mutti ist das der Böse?'' (Moeder is dit de duivel?). Weer een ander had van de dokter een verklaring gehad dat hij een oud-TBC-patiënt was en niet meer geschikt was om te werken. Met deze wetenschap was hij op de morgen van de 20e december vanuit de kerk door de tuinen achterom naar huis gelopen in de overtuiging dat hij de dans zou ontspringen. Helaas was het document nergens te vinden zodat ook hij mee moest. Na de oorlog werd het bewuste papier in een boek terug gevonden waar het als bladwijzer dienst had gedaan. Gelukkig voor hem kreeg hij in Duitsland in een bejaardentehuis van de zusters regelmatig wat te eten. Als oud-seminarist had hij met een paar vrienden-lotgenoten een speciaal plaatsje bij de zusters. De bejaarden konden de korsten van het Duitse brood

niet meer eten zodat die eraf werden gesneden en in een emmer werden verzameld voor de kippen. Wanneer er luchtalarm was en die oudjes naar de schuilkelder waren geschuifeld, was hij er als de kippen bij om de emmer te legen, maar niet bij de kippen. Na zijn bevrijding vertrok hij op een huifkar richting Holland en ging later op een Amerikaanse truck verder. In de loop van de eerste drie maanden na de bevrijding kwam men gelukkig allemaal weer thuis.

J.W.H. Olyslagers