Start

De Werkgroep

Historisch spreekuur

Foto van de maand

Nieuws

Winkel

Jaarverslagen

Aanwinsten

Vraag&antwoord

Links

Sponsors

Jaarverslag 1996

DOMINEE IK KAN NIET SCHREIEN.

In de voorbijgaande jaren is bij de Werkgroep een aantal malen geïnformeerd naar een dubbele kindermoord in de begin dertiger jaren. Niet wetende dat dit een veelvuldig fenomeen dreigt te worden besloten wij vorig jaar dit gebeuren verder uit te diepen. Na enige aarzeling hebben wij besloten dit verhaal toch te publiceren.

"In het stille Wateringen is in de vroege ochtenduren van zondag een afschuwelijke drama gebeurd. Twee kinderen, een jongetje van 6 en een meisje van 4, werden vermoord door bijlslagen". Met deze regels begon het dagblad Het Vaderland, van maandag 5 oktober 1931, onder de kop -Twee kinderen te Wateringen vermoord-, zijn verhaal.

Eind 1930 kwam het gezin van Hendrik Dekker en zijn vrouw Luchiena Dekker-Bruins met hun beide kinderen Aaldert en Harmentien uit het Drentse plaatsje Anloo naar Wateringen, waar Hendrik bij de veeboer Paul Janknegt een wat beter bestaan dacht te vinden dan in Drente. Zij woonden in een woning aan de Dorpskade ongeveer halverwege de Middenweg en de Zwet waar nu de Wateringveldseweg aftakt.
Veel contact met buren of anderen in het dorp hadden zij niet, hun naaste buren woonden naar beide zijden zo'n 4 á 500 meter van hen vandaan. Het gezinnetje leefde zeer op zichzelf. Het was bekend dat de vrouw, die een zielige indruk maakte en met een zwaar dialect sprak, het niet erg naar haar zin had in haar nieuwe omgeving. Beiden maakten de indruk al een zwaar leven achter de rug te hebben. De vrouw toonde bij haar man vergeleken echter veel opgewekter. Hij was zeer gesloten somber en eenzelvig.
Toen de kleine Aaldert bij het begin van het nieuwe schooljaar (1 april) door zijn moeder naar school was gebracht nam hij stil en geinteresseerd in de bank plaats, terwijl zijn moeder geheel overstuur de school verliet.
Samen met een groepje kinderen van de Zwet ging en kwam de jongen van school, een ouder meisje nam hem onder haar hoede. De moeder was vaak overbezorgd over de kleine man en hield hem voor elk kuchje van school thuis.
Onder de zelfde kap van het huis waar het gezin Dekker woonde was nog een woning, die sinds een week niet meer bewoond werd. Hier had een werkloze landarbeider gewoond en deze was na een aantal incidenten vertrokken. Zo werden er midden in de nacht ruiten ingegooid of er waren kippen de strot afgesneden, voor deze gevallen werden geen sporen van daders of een verklaarbare reden gevonden.
De baas van Dekker had zijn boerderij benedendijks aan de Zwet op een afstand van 10 minuten lopen. De weilanden van boer Janknegt lagen voor de woning van Dekker. Deze kon via een plank op de weilanden komen.
Op die bewuste ochtend ging Hendrik Dekker even over twee, wintertijd, het huis uit om de koeien van zijn baas te melken, die op zo'n 150 meter van zijn huis in het weiland stonden. Zijn vrouw ging weer naar bed, het was nog te vroeg om uit bed te blijven. De kinderen lagen beneden rustig te slapen met de hond, een grote herder, voor hun bedjes.

Twintig minuten later, terwijl Hendrik nog de eerste koe aan het melken was, kwam zijn vrouw door het weiland aanrennen roepend: "Oh mijn kinderen, oh mijn kinderen". Zij was halfgekleed en zat geheel onder het bloed.
Hendrik rende naar huis en vond daar in hun bedjes de twee kinderen met ingeslagen hoofdjes.
Dekker is naar het huis van zijn baas gegaan en heeft hem verteld wat er gebeurd was. Paul Janknegt is met de fiets naar het dorp gereden en heeft daar de burgemeester Verhoeven gewekt. Deze, één van de weinigen die telefoon had, heeft direct de plaatselijke veldwachter(s) en de marechaussee verwittigd en de wegen laten afsluiten. Ook belde hij naar de omliggende gemeenten om te laten uitkijken naar verdachte personen. Per fiets is hij naar het huis aan de Dorpskade gereden heeft de situatie bekeken en beval dat er niets mocht worden aangeraakt, ook de dode kinderen niet. Hierop is hij naar huis gegaan en is per auto (taxi Lipman?) naar Den Haag gereden waar hij op het hoofdbureau van politie de hulp inriep van de Haagse politie. Direct zijn de mensen van de dactylografische- en de fotografische diensten evenals de hondenbrigade onder leiding van inspecteur Waltman met hoofdinspecteur Van den Heuvel naar Wateringen vertrokken. Ook werd dr J.H. Hulst uit Leiden opgeroepen voor de autopsie van de kinderen.
Vervolgens heeft de burgemeester de officier van justitie, mr Blok, van diens huis opgehaald en zijn samen met de auto naar het huis aan de Dorpskade gereden. Waar dokter Janssen ondertussen de dood bij de kinderen had vast gesteld.
Even later arriveerde ook de rechter-commisaris mr. Van Wageningen. Om half-zes was het onderzoek in volle gang en duurde tot ver in de middag. Direct bij aankomst had hoofdinspecteur van de Heuvel in een straal van een kilometer de wegen af laten zetten, door de marechaussee, zodat de mensen die ondertussen naar de kerk waren gegaan niet naar hun huis terug konden en anderen niet hun huis konden verlaten.

Nabij het huis werd de bijl terug gevonden, deze had een steel van ca 70 cm lengte en was eigendom van het echtpaar Dekker, normaal lag deze in het bij het huis staande schuurtje. Aaldert bleek met één enkele bijlslag te zijn gedood terwijl het meisje Harmentien vier slagen had gehad. Roof was waarschijnlijk niet het motief want een geldkistje met ongeveer zeventig gulden was onaangeroerd evenals een daarnaast liggende rijksdaalder. De vrouw verklaarde echter dat er 30 á 40 gulden uit het kistje was verdwenen. Eveneens was het vreemd dat de hond, een felle waakhond, die nog kort geleden de postbode had gebeten, schijnbaar rustig op zijn plek had gelegen.
De moeder, Luchiena Dekker-Bruins, was aanvankelijk vrij rustig en beantwoordde normaal de vele vragen die de politie, noodzakelijkerwijs, moest stellen. Toen zij echter in de loop van de ochtend met de lijkjes van haar twee kinderen werd geconfronteerd raakte zij hevig overstuur en verloor zij het bewustzijn en kwam in een dusdanige overspannen toestand dat men besloot haar in de Ramaer-kliniek in Loosduinen te laten opnemen.
Na afloop van het eerste onderzoek bleven de kinderen in het verzegelde huis onder politiebewaking.
Dekker kreeg onderdak bij zijn baas en zat de rest van de dag zonder een woord te zeggen in een hoekje en weigerde eten en drinken maar ging aan het eind van de middag toch weer de koeien melken.
Via de radio werd ook een extra politiebericht uitgezonden waarin om inlichtingen werd verzocht -over een onbekend iemand die beslist door een hond moest zijn gebeten en verder door het opspattend bloed van de kinderen moest zijn besmeurd-.
Ondertussen stond het dorp bol van de wildste geruchten. om half vier belegde burgemeester Verhoeven, t.b.v. de toegestroomde journalisten, een persconferentie waarin hij een resumé gaf van het geen er gebeurd was en hoe door hem en andere betrokkenen bij het onderzoek was gehandeld. Toen één van de journalisten op de man af vroeg of het gebeuren door iemand van buitenaf gedaan had kunnen zijn, was het antwoord: "De sporen, die er op zouden kunnen wijzen dat de daad door vreemden is gepleegd, worden door de justitiële autoriteiten onaannemelijk geacht". Op last van de substituut-officier van justitie mocht er echter geen verdere uitleg over de stand van het onderzoek worden gegeven. Wel werd er bekend dat de moeder in de zenuwinrichting in strenge afzondering werd gehouden.
De afzetting die nog steeds werd gehandhaafd bezorgde veel overlast en was ingesteld vanaf de veiling op de Dorpskade tot aan de Zwetbrug evenals de Bovendijk en de Middenweg. Boeren die hun koeien wilde melken konden hun dieren niet bereiken. Wat uiteraard de nodige commotie veroorzaakte.
In de loop van de avond werden zonder ruchtbaarheid de twee kindertjes naar het lijkenhuisje op de Algemene begraafplaats overgebracht en de afzetting opgeheven.
De volgende dag, maandag 5 oktober, werd het onderzoek voortgezet en de afzetting weer ingesteld.
De Haagsche Courant van 6 oktober 1931 schreef: "Naar wij vernemen heeft het voortgezet onderzoek naar de dubbele kindermoord te Wateringen uitgewezen dat er geen enkele tastbare reden of grondig vermoeden bestaat dat de vreselijke daad van buitenaf zou zijn gepleegd. Integendeel wijst alles er op dat de moeder in een vlaag van waanzin haar kinderen van het leven heeft beroofd. Het onderzoek wordt in deze richting voortgezet".
Woensdagmorgen, 7 oktober om elf uur, bevonden zich, in de stromende regen, een groot aantal Wateringers op het nieuwe kerkhof waar de twee vermoorde kinderen zouden worden begraven. Terwijl de klanken van de kerkklokken van de hervormde kerk in de regenvlagen smoorden kwamen in drie kapwagens de vader, grootvader, ooms en buren bij het kerkhof aan. De dragers, leden van de Wateringse dragers vereniging, waren in het zwart gekleed en droegen een gleufhoed; omdat het hier kinderen betrof droegen zij witte handschoenen en een witte strik.
Achter de baar tussen zijn vader en burgemeester Verhoeven liep vader Dekker gevolgd door familie, buren, kennissen, belangstellenden en de klasgenootjes van Aaldert.
Bij het open graf sprak dominee B.C. Verhagen: " .... dat een ieder die bij dit grafje stond, van deze twee kinderen die in hun slaap op zo'n verschrikkelijke wijze waren vermoord, diep bewogen was. Diep medelijden heeft met de vader die nog geheel versuft is en vanmorgen nog zei: "Dominee, ik kan niet schreien, ik kan geen traan in mijn ogen krijgen". ... Ook moet men diep meelij hebben met de moeder die in waanzin deze daad pleegde. Welke donkere machten hebben in haar ziel gestreden en wie zal zeggen of zij ze niet heeft willen beschermen tegen boze machten? En als zij weer eenmaal het besef mocht krijgen wat zij gedaan heeft, moge haar dan kracht gegeven worden".
Na een innig gebed van de dominee sprak de burgemeester nog woorden van troost en berusting.
Tot slot nam meester J. Ouwendijk, het hoofd van de christelijke school, nog het woord en memoreerde de kleine stille Aaldert en sprak namens kinderen en personeel zijn deelneming uit. Terwijl het niet ophield met regenen dankte de heer Paul Janknegt de aanwezigen namens de vader en de familie voor hun deelneming.
Op 12 oktober verliet Hendrik Dekker stilletjes en alleen Wateringen en keerde terug naar Anloo, waar hij, een klein jaar geleden, met zijn gezin vandaan was gekomen.
Terwijl in Wateringen dit drama zich afspeelde draaide wereld gewoon door, zo trad in Berlijn het kabinet Bruning af en geeft Von Hindenburg aan dr. Curtius opdracht een nieuw kabinet te vormen. Is er tumult in het Spaanse parlement, mobiliseert Japan zijn vloot niet en hebben de Britse liberalen ruzie. Het gebeuren in Wateringen was slechts een spatje in het geheel doch voor hen die er dichtbij betrokken waren een vreselijke ervaring.
Luchiena Bruins, de moeder van de beide kinderen, blijft in de Ramaerkliniek, het is niet bekend of zij haar daad ooit heeft beseft. Op 11 februari 1932 brengt de officier van Justitie haar zaak op de rol. Op 23 februari 1932 is de Arrondissements Rechtbank in de Raadkamer bijeen en behandelen haar zaak waarbij zij niet aanwezig is. Uit het rapport dat de artsen Herman Sop en Jacob Scholtens op 18 januari j.l. hebben uitgebracht, blijkt dat het door de verdachte begane feit haar niet kan worden toegerekend, wegens ziekelijke storing harer verstandelijke vermogens. Zij wordt buiten vervolging gesteld.
De rechtbank gelast wel haar opneming in een krankzinnigengesticht gedurende een proeftijd van één jaar. Het arrest was getekend door mr Hijink, voorzitter, mr Bommezijn, rechter, prof. Cleveringa, rechter-plaatsvervanger en subtituut-griffier, mr Neiszen.
De volgende dag geeft rijksveldwachter P.A. de Groot het vonnis aan Luchiena Bruins persoonlijk in handen.
Begin april brengt men haar naar een inrichting in Eindhoven, een jaar later, 7 april 1933, komt zij naar Delft en verblijft daar aan het Koningsplein 27, waar dan het Binnenhuis van St Joris is gevestigd, hier blijft zij tot haar dood op 22 december 1963. Van haar omstandigheden is verder niets bekend.
Haar man, Hendrik Dekker gaat in 1934, als grondwerker, naar Geleen en woont daar aan de Groenstraat. Vanaf 8 oktober 1936 woont hij in Den Haag aan de Kranenburgerweg als betonwerker, later is hij timmerman, in 1937 verhuist hij naar de Koningstraat en op 3 mei 1940 verhuist hij naar de Delftselaan. Op 25 november 1964 hertrouwt Hendrik met Alma Johanna Kluge, 11 maanden nadat Luchiena Bruins was overleden. Bijna twee jaar later,op 1 november 1966 overlijdt, ook hij.

Bronnen.

Diverse couranten en tijdschriften,
Persoonskaart Hendrik Dekker,
Persoonskaart Luchiena Bruins,
Rijksarchief van Zuid-Holland. Archief van de arrondissementsrechtbank te 'sGravenhage. 1838-1939. inv no. 3.03.15.1 no.71
RAZH. Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage. inv no. 3.03.15.1 no. 650.